Caminante

In het programma “Nuits de l’Est” (nachten van het oosten) weerklinkt de lokroep van de liefde. Slavische thema’s keren terug in de liederen van Glinka, Dvořák en Chopin en de preludes van Rachmaninov. Een extra Balkan-tint krijgt het programma met de Hongaarse liederen van Kodály en Bartók, zeker wanneer het programma wordt verrijkt met viool in de “Zigeunerlieder” van Dvořák. In dit geval staan dan ook de Roemeense dansen van Bartok op het programma.

Liet Dvořák zich in het Wenen van de 19e eeuw inspireren door volksmuziek uit de Balkan, in de 20ste eeuw trokken Bartók en Kodály naar de binnenlanden van Hongarije en Roemenië om daar eeuwenoude volksliederen op te nemen met de fonograaf. Zij ontdekten daar volksmuziek van een heel andere orde, een muzieksoort die praktisch gevrijwaard was gebleven van westerse stijlinvloeden. De vele Oost-Europese liederen en dansen die zij op deze manier hebben bewaard voor het nageslacht werden verwerkt in composities met piano als begeleidingsinstrument.

 

Repertoire o. a.

Glinka, Chopin en Dvorak
Liederen
sopraan/piano

Kodály en Bartók
Hongaarse liederen
sopraan/piano

Antonín Dvorák
Zigeunerlieder
sopraan/altviool /piano

Bartók
Roemeense dansen
suitealtviool /piano

Zigeunerlieder van Dvořak en liederen van Glinka en Borodin
sopraan/altviool /piano

Sergej Rachmaninov
Preludes en Etudes
piano solo